HEMELVAART - Opgevaren en toch nabij
Ons-Heer Hemelvaart
Over zegenende handen, loslaten en een nieuwe aanwezigheid
BEZINNING BIJ HET FEEST VAN HEMELVAART
Er zijn liturgische feesten die onmiddellijk aanspreken.
Kerstmis raakt de verbeelding: een kind in een kribbe, licht in de winternacht.
Pasen schudt het hart wakker: het graf is leeg, de dood heeft niet het laatste woord.
Maar Hemelvaart vraagt meer van ons.
Op het eerste gezicht lijkt het een feest van afscheid, van een open plek die achterblijft.
Jezus gaat weg. Wat blijft er over?
Het antwoord begint niet met een idee, maar met een gebaar.
Lucas vertelt dat Jezus zijn leerlingen meeneemt naar Betanië en zijn handen opheft om hen te zegenen (Lucas 24:50-53).
Terwijl Hij hen zegent, wordt Hij van hen weggenomen.
Dat is het beeld dat blijft hangen: opgeheven, zegenende handen als laatste zichtbaar teken op aarde.
Jezus neemt geen afscheid met een verwijt of een last. Hij gaat heen zoals een vader zijn kind loslaat: met open, zegenende handen.
Hemelvaart is geen verhaal over afwezigheid, maar over een nieuwe, ruimere vorm van aanwezigheid.
Na Hemelvaart behoort Hij niet meer tot één tijd of één volk. Hij wordt de Heer van alle tijden, alle plaatsen, alle mensen.
Zijn aanwezigheid wordt niet kleiner. Zij wordt onmetelijk groter.
De Hemel als Ruimte van God
Wij moeten ons hoeden voor een al te letterlijk begrip van de hemel als een plaats boven de wolken.
De Bijbel bedoelt met "hemel" niet een geografische bestemming, maar de ruimte van God zelf:
de diepte van zijn aanwezigheid, de horizon waar ons leven opengaat naar het oneindig Andere.
Wanneer wij belijden dat Christus "ten hemel is opgevaren", zeggen wij:
zijn menselijk bestaan is volledig binnengebracht in het leven van God. Niet alleen zijn goddelijkheid, maar ook zijn lichaam, zijn wonden, zijn tranen.
Dat is een boodschap van onpeilbare troost.
De Verrezene draagt nog altijd de tekenen van het kruis.
Hij staat voor de Vader niet als een onaantastbare godheid,
maar als de mens die geleden heeft, die vriendschap heeft gekend en verraad, die gehuild heeft bij het graf van Lazarus.
In Hem is onze menselijkheid niet weggeveegd, maar opgenomen in Gods liefde.
Alles wat wij zijn — onze vreugde en onze kwetsbaarheid, ons verlangen en onze schuld — mag bij God thuiskomen.
Wij zijn geneigd te denken dat wij eerst sterk of volmaakt moeten zijn om tot God te naderen.
Hemelvaart spreekt dat krachtig tegen. De weg naar God loopt niet buiten ons kwetsbare leven om. Hij loopt er dwars doorheen.
Niet Blijven Staan Kijken
Maar de leerlingen mogen niet blijven staan.
Twee mannen in witte gewaden verschijnen en stellen een vraag die klinkt als een vriendelijke aansporing:
“Mannen van Galilea, wat staat ge naar de hemel te kijken?”
Het christelijk geloof is geen vlucht uit de wereld. Wie omhoog kijkt, moet ook terugkeren naar de aarde.
Want daar, in het gewone leven van elke dag, zal de Heer nu gezocht en gediend worden.
Hemelvaart brengt een dubbele beweging.
Omhoog: ons bestaan heeft een bestemming die groter is dan wat wij kunnen meten of bezitten.
En omlaag: juist die hemelse bestemming plaatst ons dieper in de wereld.
De christen leeft met de voeten op de grond en het hart geopend naar God.
Hij bidt, maar sluit zijn ogen niet voor de nood van de naaste. Hij verwacht alles van God, maar blijft niet passief wachten.
Misschien is dat precies wat onze samenleving vandaag nodig heeft:
mensen die leven vanuit een open hemel, die zegenen in plaats van veroordelen,
die de aarde liefhebben omdat zij geloven dat God haar niet prijsgeeft.
De Kunst van het Loslaten
Hemelvaart leert ons ook iets over een van de moeilijkste geestelijke opgaven: loslaten.
De leerlingen moeten Jezus loslaten zoals zij Hem gekend hebben en aanvaarden dat zijn aanwezigheid verandert van gedaante.
Dat is pijnlijk. Wij houden van wat vertrouwd is, van wat wij kunnen aanraken en vasthouden.
En toch: wie alleen kan liefhebben door vast te houden, verstikt wat hij liefheeft.
Loslaten is niet hetzelfde als verliezen. Dat is de paradox die Hemelvaart ons aanreikt.
Jezus gaat heen, maar laat zijn leerlingen niet verweesd achter. Hij belooft de Heilige Geest.
Tussen Hemelvaart en Pinksteren ligt een tijd van wachten en vertrouwen. Iets is voorbij, het nieuwe is nog niet zichtbaar.
Dan vraagt het geloof om een bijzonder soort geduld —
niet het geduld van berusting, maar het waakzame geduld van wie weet dat God aan het werk is,
ook in de stilte, ook wanneer de hemel gesloten lijkt.
Terug met Grote Vreugde
Wat de leerlingen doen na Hemelvaart, is veelzeggend.
Zij keren terug naar Jeruzalem met grote vreugde, schrijft Lucas. Dat is verrassend.
Men zou verwachten dat zij bedroefd zijn, verloren, onzeker.
Maar zij hebben begrepen dat Jezus' heengaan geen nederlaag is.
Zijn weg eindigt niet in afwezigheid, maar in heerlijkheid.
En die heerlijkheid is het licht dat nu al over ons leven valt, ook wanneer wij het niet zien.
Die vreugde is de grondtoon van het christelijk leven.
Niet de oppervlakkige vrolijkheid die de pijn ontkent, maar de diepe, stille vreugde van wie weet dat zijn leven gedragen wordt,
dat hij niet alleen is, dat de laatste werkelijkheid niet de dood is maar de levende God die ons heeft liefgehad in Jezus Christus.
Gezegend, Gezonden, Verwachtend
Telkens wanneer wij samenkomen rond de eucharistie, worden wij opnieuw onder die zegenende handen geplaatst.
Wij horen het Woord, wij breken het brood, wij ontvangen de Heer die niet langer zichtbaar naast ons staat,
maar werkelijk aanwezig is in het midden van zijn gemeenschap:
in het brood en de wijn, in het Woord, in de broeder en de zuster naast ons.
De zegen waarmee Jezus heenging, is aan de Kerk toevertrouwd. Zij leeft onder die opgeheven handen.
Niet omdat alles in haar volmaakt is, wij kennen onze zwakheid maar al te goed. Maar die zegen is groter dan onze armoede.
Hemelvaart roept ons op om drie dingen te zijn:
• Gezegend door de liefde van Christus die ons aanvaardt zoals wij zijn;
• Gezonden naar de wereld die lijdt en zoekt;
• Verwachtend de Geest die ons hart opent en onze handen vrijmaakt.
Heer, leer ons leven onder uw zegen.
Leer ons loslaten zonder bitterheid.
Leer ons wachten zonder moedeloosheid.
Leer ons de aarde dienen met een hemels hart.
Want de Heer is opgevaren, niet om ons te verlaten, maar om alles in allen te worden.
En onder zijn zegenende handen gaan wij verder, met opgeheven hoofd en een hart dat weet:
Hij is niet weg. Hij is er, dieper dan ooit.
Amen.

